De duur van de hypotheekrenteaftrek van maximaal dertig jaar kan niet beïnvloed worden door het aangaan of beëindigen van een samenwoning of huwelijk, of de toedeling van de hypotheekrenteaftrek tussen fiscale partners.
Dat heeft minister van Financiën De Jager gezegd in de beantwoording van Kamervragen. De aanleiding was een column op IEX.nl. Daarin werd (foutief) gesteld dat het mogelijk was zestig jaar van renteaftrek te genieten door het overhevelen van de renteaftrek naar de andere partner zonder dat dit gevolgen heeft voor die partner.
De Jager stelt dat slechts de aanwezigheid van een eigenwoningschuld (EWS) bepalend is voor de duur van de hypotheekrenteaftrek, beoordeeld per persoon. Samenwoners of gehuwden kunnen een gezamenlijke EWS hebben. De termijn van dertig jaar begint te lopen zodra er sprake is van een EWS.
'De toerekening van inkomensbestanddelen tussen partners heeft, anders dan bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 is betoogd, geen gevolgen voor de dertig jaarstermijn', aldus De Jager. 'Eerst nadat op individueel niveau, met inachtneming van de rente over de EWS, de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning zijn bepaald, komt de toerekening van deze inkomsten tussen partners aan de orde (artikel 2.17 Wet IB 2001). Wanneer partners per jaar afwisselend de belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking nemen, leidt dit dus niet tot zestig jaar renteaftrek. Voor beide partners start de termijn bij aankoop van de woning en het aangaan van de EWS en eindigt dertig jaar later. Voor aankoop van de woning van de partner geldt overigens ook de aftrekbeperking van artikel 3.120, vierde lid, onderdeel c, Wet IB 2001.'